Wereldmeisjesdag: De meisjes die hun naam in het zand schrijven in Somalië
Op Wereldmeisjesdag denkt CARE aan alle meisjes wereldwijd, die hun eigen toekomst zouden moeten vormgeven. Zoals Sumaya en haar zusje Halima, in Somalië, die het liefst naar school zouden willen.
“We hebben geen potloden of papier. Dus gebruiken we stokken om mee in het zand te schrijven. Wat ik het liefst doe, is mijn naam schrijven,” zegt de tienjarige Halima zachtjes, terwijl ze naar haar één jaar oudere zus Sumaya kijkt, die een oog tot een spleetje knijpt tegen de wind.
De twee zussen wonen in een dorpje voor ontheemde gezinnen. Hun onderkomen ligt op ongeveer een uur afstand van de dichtstbijzijnde plaats: Badhan, in het noorden van Somalië. De hoofdweg vanuit Badhan is gedeeltelijk verhard en zit vol gaten. Na veertig minuten slaat er een zandpad naar links af. De sporen op de grond zijn nauwelijks zichtbaar, doordat het woestijnzand en de hevige wind alles hebben gladgestreken.
Halima (10) doet de afwas.
Er zijn hier geen bomen of struiken; in alle richtingen strekt zich zand uit zo ver als je kunt kijken. Wanneer de wind opsteekt, verslechtert het zicht. Wervelwinden van zand rijzen hoog de lucht in. Soms trekt de zandnevel even op en doemen er in de verte enkele hutten op. Er wonen hier momenteel ongeveer tachtig gezinnen, in totaal zo’n 560 mensen. De meesten zijn voormalige veehouders die door droogte zijn ontheemd. Sommigen komen uit Ethiopië, net als de zussen; anderen zijn afkomstig uit de bergen ten noorden van Badhan.
Meisjes runnen het huishouden
De onderkomens zijn gemaakt van stevig aan elkaar gebonden stokken. Binnen hangen lappen rood, blauw of geel plastic als muren. De plastic vellen klapperen hevig in de wind en zitten vol gaten, gescheurd door de windkracht. Alleen al dit jaar zijn er dertien woonplekken verwoest. De wind waait zo hard dat kinderen omver worden geblazen – ook Halima en Sumaya, die te voet door de woestijn naar het volgende dorp moeten om voedsel voor het gezin te zoeken.
Midden in de nederzetting staat één stevig gebouw: de school. Ooit, jaren geleden, ondersteund door CARE, maar nu een plek waar gezinnen moeite hebben om zelfs maar één kind naartoe te sturen, omdat ze de financiële middelen missen voor lesgeld of leermiddelen. Als een gezin genoeg inkomen heeft, sturen ze één kind naar school. In het gezin van Sumaya en Halima gaat niemand.
Sumaya (11) haalt water.
Met pijn in het hart zien de twee meisjes hoe enkele kinderen uit de buurt elke ochtend naar school gaan. “Ik kan ze niet naar school sturen, want we hebben niet eens genoeg geld om elke dag eten te kopen of onze waterton te vullen,” zegt Koos (70), de grootmoeder van de twee meisjes. De zussen wonen samen met Koos en twee jongere kinderen. In plaats van naar school te gaan om te leren, hebben ze zichzelf leren lezen en schrijven door naar de andere kinderen te kijken terwijl die hun huiswerk maakten. “Ik zeg ze dat ze buiten met de andere kinderen moeten gaan spelen, maar ze willen alleen maar meer leren,” zegt Koos.
Omdat Koos te zwak is geworden om in haar eigen levensonderhoud te voorzien, zorgen haar vier kleinkinderen voor haar; Halima en Sumaya runnen het huishouden. Ze maken schoon. Ze koken. Ze halen eten van de markt. Ze halen water bij de gemeenschappelijke opslagtanks.
De kosten van levensonderhoud
De zoon van Koos is de kostwinner van het gezin, maar hij moet van stad naar stad reizen om werk te zoeken. Vroeger was hij boer. Door droogte is dat werk steeds moeilijker geworden. “De laatste keer dat hij hier was om ons geld te brengen, was drie maanden geleden. Als er niets groeit, hebben boeren geen werk,” zegt Koos.
De moeder van de meisjes woont in het kamp, maar heeft geen middelen om hen te onderhouden. Dus springen de meisjes bij en steunen ze hun grootmoeder. Elke dag gaan ze naar het dorp om eten te halen. Het gezin koopt het op krediet. “Onze schuld loopt op. Ik denk dat we nu op 160 dollar zitten. We hebben elke dag 5 dollar nodig voor het eten van die dag.” Het gezin is ook afhankelijk van familieleden en buren die delen wat ze hebben. Veel meer is er niet.
CARE-personeel bij de woonplek van Koos, Sumaya en Halima
De woonplek van Koos en de meisjes is van binnen bijna leeg. Er liggen een paar matten op de grond. Bij de ingang staan vijf paar slippers. Een blauw watervat staat in een donkere hoek. Een muis rent door de hut, schuilend voor de wind en op zoek naar kruimels – al zijn die er niet.
Buiten blijft de wind loeien. Hij is in de loop der jaren sterker geworden. Volgens de gemeenschap is de situatie dit jaar erger dan ze ooit hebben meegemaakt. Het is gevaarlijk voor de meisjes als ze naar de markt lopen. “We hebben veel last van de wind. Ons onderkomen kan elk moment worden verwoest. Ook voor de kinderen is het erg lastig om naar de markt in het dorp te gaan. Ze worden vaak omvergeblazen en raken gewond. En voor mij, als oudere, is het risico om te vallen erg groot,” vertelt Koos.
Ook het zand en stof bemoeilijken de ademhaling. Gezinnen kampen met astma en toenemende chronische longproblemen. Koos zelf lijdt aan buiktyfus, maar kan een doktersbezoek niet betalen. De dichtstbijzijnde medische voorzieningen bevinden zich in Badhan. Tot mei van dit jaar ondersteunde CARE de zorginstellingen daar; door bezuinigingen is die steun weggevallen. De instellingen werken nu met minder middelen, en behandelingen die voorheen gratis waren, kosten nu geld dat de gezinnen hier niet hebben. Voor Koos zou een doktersbezoek ongeveer 100 Amerikaanse dollar kosten: 25 dollar voor vervoer van en naar Badhan, 25 dollar voor de behandeling, en de rest voor medicijnen. Het gezin heeft dat geld niet.
Het water voor de gemeenschap is ook duur, omdat er niet genoeg regen meer valt om de opslagtanks op natuurlijke wijze te vullen. CARE heeft hier jaren geleden drie wateropslagvoorzieningen opgeknapt. Ze worden nog steeds gebruikt, maar nu moet het water per vrachtwagen worden aangevoerd. Veertig vaten, met een gezamenlijke inhoud van ongeveer 8.000 liter, kostten de gemeenschap voorheen zo’n 70 dollar. Nu kosten ze 100 dollar. De gemeenschap deelt de kosten. Met één vat doen Koos en de meisjes ongeveer vijf dagen.
Sumaya (11) onderweg naar de waterput.
Ook voedsel is duurder geworden. Een kilo tomaten die voorheen één dollar kostte, kost nu 1,50 dollar. “Onze grootste uitdaging is het gebrek aan geld om voedsel en water te kopen. Ik maak me vooral zorgen over voedsel. Het wordt elke dag moeilijker om eten voor ons te vinden.”
In 2024 ontving Koos drie maanden lang maandelijks financiële steun van CARE. Het ging om 70 dollar per maand. Die drie maanden kon het gezin vooruitplannen. “Dat was de enige periode waarin we voedsel voor de hele maand konden inslaan en ons niet van dag tot dag zorgen hoefden te maken,” vertelt Koos. Ze kochten zakken rijst en suiker van 25 kilo. Ze konden zich een grotere variëteit aan groenten veroorloven. Soms bleef er zelfs genoeg over voor fruit.
Voor Halima en Sumaya betekende dit iets heel eenvoudigs: ze hoefden zich niet elke dag zorgen te maken over eten. Nu is het geld op. De financiële steun is gestopt. De medische ondersteuning is weggevallen. En de droogte houdt aan. School is onbetaalbaar. Sumaya en Halima zien hoe andere kinderen leren lezen en schrijven. En de zanderige woestijnbodem is hun schrift geworden.