In Bosnië is begin dit jaar een project gestart waarin etnisch Servische en etnisch Bosnische jongeren samenwerken als pleitbezorgers van een duurzame vrede. Het heet Mladi za Mir, wat ‘Jeugd voor Vrede’ betekent. Voor de reportage zocht Generation Next een Nederlandse leeftijdsgenoot van deze jongeren en plaatste een oproep op de website van CARE. Gezocht: jong, veelbelovend journalistiek talent! Uit de ruim twintig inzendingen werd Aline van Veen (22), studente aan de School voor Journalistiek in Utrecht, geselecteerd. Dit is haar verhaal...
De Bosnische hoofdstad Sarajevo ligt in een dal. In de bergen die de stad omringen, stond tijdens de oorlog zwaar geschut van de Serviërs opgesteld en sluipschutters namen vanaf de hoogte inwoners van de stad onder vuur. De plekken waar munitie de huizen heeft geraakt, zijn nog altijd te zien. Ik loop de smalle straatjes in en steek mijn vinger in een kogelgat, een ondiep holletje in de muur. Later, onderweg naar Srebrenica, blijkt het land bezaaid met lege huizen. Tijdens de oorlog zijn veel mensen naar veiliger oorden vertrokken, om nooit meer terug te komen. Ik was net zeven toen de genocide in Srebrenica plaatsvond, kan me er niets meer van herinneren. Maar mijn zus, bijna zesentwintig, staat het allemaal nog helder voor de geest. “Met de blauwhelmen, die vredesmissie van de Verenigde Naties,” blikt ze terug als ik haar vertel over mijn reis naar Bosnië. Srebrenica is inderdaad in 1993 door de Verenigde Naties tot ‘Veilig Gebied’ verklaard. Vanaf maart 1994 was de bescherming van deze enclave toebedeeld aan Dutchbat, het Nederlandse VN-bataljon. Duizenden moslims zochten er hun toevlucht, opgejaagd door het geweld dat door heel voormalig Joegoslavië raasde.
Begin dit jaar ging in de omgeving van Srebrenica een nieuw project van CARE van start: Mladi za Mir, wat ‘Jeugd voor Vrede’ betekent. Met jongeren als vrijwilligers wordt gewerkt aan vrede en stabiliteit, het bevorderen van kennis over mensenrechten, het leren omgaan met het verleden en het respecteren van etnische verschillen. CARE werkt in dit project samen met drie lokale partners: de jeugdcentra in Bratunac, Vlasenica en Srebrenica. Deze partners krijgen ondersteuning in het organiseren van verschillende activiteiten, terwijl de vrijwilligers kunnen deelnemen aan door CARE georganiseerde trainingen en workshops. De vrijwilligers zijn jongeren van mijn leeftijd, die binnen het project ‘Advocates of Peace’ worden genoemd. Een titel waar Hasan, 18 jaar oud, een beetje om moet lachen. “‘Advocaat’ klinkt zo professioneel, ik ben gewoon vrijwilliger hoor.”
Het is mijn eerste kennismaking met de lokale jeugd. Ik zie het gesprek als een kans om leeftijdsgenoten te vragen naar hun motieven om deel te nemen aan een project dat ‘aan vrede bouwt’. Want hoe maak je vrede in een verdeeld land, waar zoveel huizen zijn verwoest en de werkloosheid op 40 procent wordt geschat? Hasan, vierde klas gymnasium, gaat zitten op een pastelkleurig bankje in het jeugdcentrum van Vlasenica, geschiedenisstudent Zeljko (22) neemt naast hem plaats. De eerste is moslim, de tweede een orthodoxe christen. Niet dat de jongens zelf nadruk leggen op hun verschillende achtergrond; wanneer ik ernaar vraag, slaan ze een arm om elkaar heen. Ze horen bij het kleine deel van de bevolking dat gelooft dat Serviërs (vaak orthodoxe christenen) en Bosniakken (veelal moslim) prima samen kunnen leven. Hasan: “Eigenlijk zijn er drie groepen hier in Bosnië. Een kleine, agressieve groep, die vooral problemen veroorzaakt. Een andere kleine groep, waartoe wij behoren, die wil samenwerken met mensen met een andere etnische achtergrond, en ten slotte een grote groep die daar zwijgend tussenin zit.” Zeljko beaamt dat: “Voor die derde groep proberen wij een voorbeeld te zijn. Wij willen laten zien dat samenwerken mogelijk is.” Hasan vult aan: “In de drie jaar dat dit CARE-project duurt, organiseren we tal van activiteiten, zodat we stapje voor stapje kunnen toewerken naar communicatie tussen Serviërs en Bosniakken. Dat is een behoorlijke stap in de goede richting, want door communicatie leer je elkaar begrijpen.”
Toewerken naar onderling contact is ook voor Milena, de 29-jarige manager van het jeugdcentrum in Srebrenica, erg belangrijk: “Je kunt mensen niet dwingen om met elkaar om te gaan. Door de verschillende activiteiten die we bieden, is er voor iedere jongere wel iets leuks om aan deel te nemen en al doende raken ze op een heel soepele manier met elkaar in contact.” Ze neemt een slok Bosnische koffie. Ik doe hetzelfde en vergeet dat ik de laatste slok had moeten laten staan; het is meer drek dan koffie. “Weet je,” zegt Milena, “vooroordelen kun je het best tegengaan door de ander te leren kennen en met hem te praten.” Vóór de oorlog was het jeugdcentrum in Srebrenica een bioscoop. Daarna werd het een openbaar toilet, tot de jongeren het opknapten; de muren zijn gekleurd en een kunstenaar heeft het gebouw voorzien van graffiti. Bovendien is een groot podium gebouwd, waar plaatselijke bandjes oefenen en optreden. Dit alles draagt bij aan het doel van het centrum, legt Milena uit: “We willen jonge mensen laten zien dat er een hoop leuke dingen zijn naast roken, drinken en gokken, waar veel jongeren problemen mee hebben. Door het aanbieden van cultuur, sport en creatieve activiteiten geven we hun een alternatief waarbij ze zich comfortabel kunnen voelen. Zo ontstaat er een sfeer waarin een dialoog kan plaatsvinden.” De gedachtegang van Milena is goed te volgen. In theorie is het op gang brengen van dialoog een eerste stap op weg naar duurzame vrede, maar ik vraag me af of dat in de praktijk ook zo werkt. Wat draagt dit nu eigenlijk echt bij aan vrede? Werken de verschillende groepen binnen dit jeugdcentrum überhaupt wel samen, vraag ik hardop. Met grote ogen kijkt Milena me aan. “Sámenwerken...!?” Ik voel me even niet op mijn gemak. Dan begint ze te lachen: “Natuurlijk, voor ons is samenwerken normaal, dat is juist waar het hier om gaat. Dit jeugdcentrum is van iedereen.”
De jongeren die ik hier ontmoet, zijn heel positief en dan ben je al gauw geneigd te denken dat het allemaal wel goed komt. Maar ik hoor ook andere verhalen en ik zie het leed dat mensen is aangedaan, waardoor ik soms bijna begrijp dat mensen haatgevoelens koesteren. Op de begraafplaats van het naburige Potocari, waar de vermoorde moslims die geïdentificeerd zijn, be-graven liggen, zit ik even op een bankje voor me uit te staren. Een van de medewerkers van de begraafplaats begint tegen me te praten en te gebaren. Ik versta slechts het woord ‘familia’. Hij loopt voor me uit naar een hoek van de enorme begraafplaats. Daar spreekt hij twee Engelse woorden, waarschijnlijk de enige die hij kent: ‘brother’ en ‘father’. Hij wijst de naam ‘Begic’ aan op de eerste zerk, op de tweede, op de derde... Zijn broers, vader, ooms en opa blijken hier te liggen, op een plek waar hij dagelijks nieuwe graven voor andere slachtoffers delft. Ik staar naar de lege plek tussen zijn familieleden in en kijk hem vragend aan. Met handen en voeten legt hij uit dat het lichaam van dit familielid nog niet gevonden is... Wanneer ik meneer Begic een hand geef, weet ik niet wat ik hem moet zeggen. “Sterkte”? “Het beste”? Ik kijk hem alleen maar aan en druk zijn hand nog even. Dan steek ik de straat over, naar de oude batterijfabriek waar de Nederlandse Dutchbatsoldaten hun basis hadden en waarin nu een ‘memorial’ is gevestigd.
Er draait een korte film uit 1995, waarin generaal Mladic van het Bosnisch-Servische leger aankondigt dat hij het ‘Servische’ Srebrenica inneemt en – met de historische opstand tegen de Turken in het achterhoofd – zegt dat het tijd is om wraak te nemen op de moslims. Mladic grijpt met deze woorden terug op gebeurtenissen van eeuwen geleden, toen het Ottomaanse rijk zich nog uitstrekte tot diep in de Balkan. Als hij zich voor wraak beroept op zo’n oude geschiedenis, is het dan vreemd dat anderen nu de gebeurtenissen van vijftien jaar geleden gebruiken om geweld te legitimeren? Is het dan gek dat Hasan, medewerker van het memorial, de Serviërs niet vertrouwt? Vlak voordat Mladic Srebrenica binnenviel, vluchtte de toen 16-jarige Hasan samen met duizenden andere moslimjongens en -mannen de bergen in, op weg naar de tamelijk veilige stad Tuzla. Tijdens deze tocht werden duizenden moslims afgeslacht, waaronder Hasans vader en zijn tweelingbroer. “Het steekt me vooral,” verzucht hij, “dat er Serviërs zijn die ontkennen dat de genocide heeft plaatsgevonden...”
Omgang met Serviërs is voor Hasan dan ook nog lang niet zo normaal als voor de jonge vrijwilligers. Die vertellen mij dat er onder de oudere generaties inderdaad nog veel wantrouwen jegens de andere etnische groepen heerst. Salikovic (25), projectcoördinator van het jeugdcentrum in Srebrenica, probeert het uit te leggen: “De meeste jongeren van nu zijn slachtoffer van een oorlog waar ze destijds, als kind, ongevraagd in verzeild zijn geraakt. Ze hadden geen keuze.” Heel belangrijk is hoe ze vervolgens thuis zijn opgevoed, stelt Milena. “De vooroordelen die mensen hebben, zijn het resultaat van wat ze van huis uit meekrijgen. Jongeren met verschillendeachtergronden gaan wel naar dezelfde school, maar spreken elkaar niet echt en daardoor worden harde thema’s vermeden.” Communicatie is troef, zeggen ook Cedomir (27) en Nada (18) uit Bratunac. Door middel van campagnes, workshops, seminars en andere activiteiten wordt langzaam toegewerkt naar een soort maatschappelijke dialoog over de oorlog. “Er moet gepraat worden, zodat mensen oorlog en vrede gaan herkennen. Zodat ze zichzelf afvragen: ‘Wat is beter?’”, vertelt Cedomir, wiens naam ‘kind van vrede’ betekent. “Mensen moeten het verleden verwerken. Ik wil de jongeren pushen om met hun ouders te gaan praten. Ze hoeven niet te vragen: ‘Zeg, pa, heb jij in de oorlog iemand vermoord?’, maar er moet wel in openheid over de oorlog worden gesproken. Dat is moeilijk, maar nodig. Niet dat je in het verleden moet leven, maar het is wel goed om te weten wat er in het verleden is gebeurd.” Nada – haar naam betekent ‘hoop’ – is als Servische bevriend met zowel Serviërs als Bosniakken. “Dat ik ook met moslims omga, vinden mijn ouders oké, maar een moslim als vríéndje? Dat niet. Mijn vader zei eens dat hij zelfmoord zou plegen als ik met een moslim thuis zou komen,” vertelt ze.
Het is in ieder geval goed dat Nada naar het ‘gemengde’ jeugdcentrum mag komen, vindt Cedomir. “Ik zeg altijd tegen ouders: ‘Je hoeft niet van elkaar te houden, maar haat elkaar niet. Daar komen weer nieuwe oorlogsmisdaden van.’” Ik vraag hem of het realistisch is om te geloven in vrede op de Balkan. “Ik denk niet dat er een nieuwe oorlog uit zal breken,” antwoordt hij. “Maar zeg nooit nooit. Veel mensen zijn werkloos, dat is een groot probleem. Als je geen werk hebt, ben je ontevreden en heb je tijd om oorlog te maken.
Maar als je een goed leven hebt, dan wil je dat niet kapotmaken met oorlogvoeren. In de basis geloof ik dat we met elkaar kunnen leven. Sterker: we vergeten haast dat we dat al dóén! We moeten alleen nog leren meer nadruk te leggen op wat we gemeen hebben en minder op onze verschillen.” Dankzij het CARE-project worden jeugdcentra in staat gesteld om jongeren van verschillende etnische groepen samen te brengen, dat zie ik wel in. Toch worstel ik nog steeds met de vraag of Mladi za Mir het verschil maakt in een land waar morgen de vlam zo weer in de pan kan slaan. Ik vertel Sumka Bucan, directrice van CARE Noordwestelijke Balkan, over mijn twijfels. Zeg haar dat ik op zich geloof in de jonge Advocates of Peace, in hun optimistische verhalen, het opbouwen van vrede en stabiliteit door dialoog en het benadrukken van wat Serviërs en Bosniakken gemeen hebben. Maar toch... Ze knikt begrijpend en legt uit dat er voor duurzame vrede in Bosnië inderdaad nog veel meer nodig is. Vooral op economisch en bestuurlijk gebied. “We hebben enorm veel werklozen en zitten als gevolg van het Dayton-akkoord, waarin in 1995 de vrede werd geregeld, opgezadeld met veertien overheidsniveaus, 266 ministeries en 174 ministers. Dat maakt het land moeilijk bestuurbaar en de besluitvorming traag. Met Mladi za Mir kunnen we die problemen niet oplossen, maar we kunnen wel bijdragen aan meer onderling begrip en respect tussen de verschillende etnische groepen. En dat is beslist een stap voorwaarts.” Okay dan, daar sluit ik me graag bij aan!