Bangladesh is een van de landen die meer en meer de gesel van het veranderende klimaat voelen. Langere periodes van droogte worden afgewisseld met kortere, maar steeds heftiger wordende regenseizoenen. CARE helpt de bevolking in het aanpassingsproces. Met succes, zoals blijkt uit de cijfers en uit de verhalen van Jannati, Srimoti, Shamsher, Mina en Yusuf.
Volgens de VN Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) is Bangladesh een van de landen die het ergst getroffen zullen worden door de klimaatverandering. Vooral de kust in het zuiden en de Barind Tract-regio in het noordwesten. In het laatstgenoemde gebied neemt de droogte toe en wordt het regenseizoen weliswaar korter, maar ook heftiger en minder voorspelbaar. Een rampzalige ontwikkeling, die een regelrechte bedreiging vormt voor de arme bevolking, die op traditionele, kleinschalige landbouw is aangewezen.
Om de allerarmste inwoners van de districten Rajshahi, Chapainawabganj en Naogaon in de deze regio te helpen zich aan te passen aan de veranderende omstandigheden, heeft CARE Nederland, samen met CARE Bangladesh en haar lokale partners, in de afgelopen vier jaar het 3,3 miljoen euro kostende FoSHoL-project uitgevoerd. Onder meer door de introductie van andere landbouwtechnieken en gewassen, uitbreiding van het landbouwareaal, en het opzetten van regionale markten voor een bredere productafzet. Ook in het stimuleren van onderwijs, samenwerking en kennisuitwisseling en het verstrekken van microkredieten werd binnen het project voorzien. FoSHoL (Food Security for Sustainable Household Livelihoods) werd betaald met subsidie van de Europese Commissie, giften van Nederlandse donateurs en een bijdrage van CARE Bangladesh. In totaal namen 19.561 huishoudens uit 546 dorpen aan het project deel en de resultaten zijn, bij een gemiddelde investering van slechts 170 euro per huishouden, heel succesvol. In de eindevaluatie bleken de deelnemende huishoudens, in vergelijking met een controlegroep, gemiddeld 14% meer inkomsten te hebben en was zowel de landbouwproductie per hectare als het landbouwoppervlak zelf aanzienlijk toegenomen. Door de samenwerking en kennisuitwisseling zullen ook steeds meer andere mensen leren hoe zij zich aan de klimaatverandering kunnen aanpassen.
Begin mei gingen we op bezoek bij een aantal projectdeelnemers om te kijken hoe hun leven is veranderd. De videoreportage die we daarvan maakten is te bekijken op deze website. De veertienjarige Salma uit het dorp Nezampur zit in groep 8 van de middelbare school. Van de 150 leerlingen uit die groep behoort zij tot de tien beste en volgens moeder Jannati Bewa is zij de intelligentste van haar drie dochters. Jannati is 38, maar ziet er een stuk ouder uit. Het is de prijs die alle vrouwen op het platteland moeten betalen voor een leven van vroeg kinderen baren, zware fysieke arbeid en armoede. Bewa is overigens niet haar echte achternaam, maar betekent ‘weduwe’ of ‘verlatene’, een naamstoevoeging die ze tien jaar geleden kreeg toen haar man op een ochtend opeens bleek te zijn vertrokken. Sindsdien heeft nooit meer iemand iets van hem gezien of gehoord. Het is Jannati’s droom dat Salma naar de universiteit in Rajshahi gaat om wetenschappen of techniek te studeren en daarna een onafhankelijk bestaan opbouwt. Ook voor haar dochters Taslima (16), die net examen heeft gedaan en op de uitslag wacht, en Muslima (13), haar jongste, wenst zij een zelfstandige toekomst. “Als er een jongen langskomt die met een van mijn dochters wil trouwen, dan stuur ik hem weg. Ik heb niets anders dan mijn dochters en wil dat zij onafhankelijk worden en in de stad een goede baan vinden.”
Het gezin woont samen met de broer en zus van Jannati in een aantal slaapvertrekken, die samen met de kookruimte een klein binnenerf omsluiten. Het is er snoeiheet. Kippen scharrelen rond en onder een uit riet gevlochten mand zitten vader en moeder eend met nakomelingen. De eenden, evenals twee koeien en een stukje grond voor een moestuin, heeft Jannati kunnen kopen met een lening van 14.000 taka uit het groepsfonds. Hoe ze de dieren moet verzorgen, heeft ze geleerd in een van de cursussen die in het kader van FoSHoL zijn gegeven. Onder het afdak staat de naaimachine die zij met 5.000 taka spaargeld uit het groepsfonds heeft gekocht. De stof voor de kleren die zij maakt, is betaald met een aanvullende lening van nog eens 5.000 taka. Het moet goede handel zijn, want uit de verkoopopbrengst van de kleding kan ze haar leningen aflossen en ook nog eens de 1.000 taka per maand betalen voor de bijlessen van haar dochters. “Onderwijs is weliswaar gratis, maar de klassen zijn zó groot dat de leerlingen onvoldoende individuele aandacht krijgen. Daardoor raken ze gemakkelijk en ongemerkt achter in wiskunde of Engels en om dat te voorkomen is bijles belangrijk.”
Een beginnende doe-het-zelver met twee linkerhanden zou de klus vast en zeker beter hebben gedaan en het glimmende blik misstaat ook een beetje, maar Srimoti Chanmoni is blij met haar nieuwe dakbedekking van golfplaten. Behalve dat het in haar eenkamerwoninkje nu droog blijft als het regent, lijkt het dak voor haar ook symbool voor hoeveel ze al bereikt heeft. Ze behoort tot de Adivasi, een inheems stammenvolk. Zoals vaak met dit soort minderheidsgroepen, worden ze gediscrimineerd, staan ze helemaal onderaan de maatschappelijke ladder en hebben ze nauwelijks rechten. En met haar fysieke handicap was Srimoti Chanmoni nóg slechter af. Sinds de vader van haar kinderen jaren geleden de benen nam, hebben ze in bittere armoede geleefd en waren ze voor een beetje rijst en afgedragen kleding afhankelijk van de vrijgevigheid van anderen.Want door haar vergroeide voet kon ze als dagloner alleen aan de slag wanneer er verder niemand anders meer beschikbaar was. En dat was eigenlijk nooit het geval. Het Adivasi-dorp Murulia ligt op overheidsgrond, het zogenaamde Khasland. De grond is bedoeld voor de allerarmsten, zoals de Adivasi, maar wordt met medewerking van een zwakke en corrupte overheid vaak illegaal gebruikt door meer invloedrijke, welgestelde Bengalezen. Zo ook de landbouw-en weidegronden rond Murulia. Bij gebrek aan grond staan de huisjes dicht op elkaar gebouwd en zijn de dorpsbewoners lang verstoken gebleven van mogelijkheden om met eigen landbouw en veeteelt in hun levensbehoeften te voorzien. CARE heeft de dorpsbewoners echter geholpen zich te mobiliseren en als groep hun rechten bij de lokale overheid op te eisen. Nu is de grond aan hen toegewezen en groeien er papajabomen en groentes. Ook Srimoti Chanmoni heeft nu een eigen een stukje grond.
De dochter van Srimoti Chanmoni is getrouwd. Haar zoon woont nog bij haar en is, nu hij onlangs vijftien is geworden, oud genoeg om als dagloner op het land te werken. Naar school is hij nooit geweest en dat geldt voor bijna alle Adivasi-kinderen. Wanneer ze de schoolleeftijd hebben bereikt, moeten ze thuis op de kleintjes passen als de ouders op het land werken. Maar ook het feit dat ze op die leeftijd nog onvoldoende Bangla spreken en op school worden gepest, vormt een belemmering. Voor haar zoon is het te laat, maar er komen steeds meer scholen die specifiek zijn opgericht voor deze minderheidsgroepen. Maar liefst 30 van de 40 huishoudens in Murulia hebben deelgenomen aan het FoSHoL-project. Zo ook Srimoti Chanmoni, en dankzij het groepsfonds kon zij niet alleen het nieuwe dak betalen, maar ook een drachtige koe en wat geiten kopen. Een groot deel van het geleende geld is al terugbetaald met de verkoop van jonge geitjes, melk en groentes. De eerst aangekochte koe en één van haar twee kalveren zijn ook verkocht en het overgebleven kalf is alweer drachtig.
Het lijkt allemaal erg simpel, maar terecht is Srimoti Chanmoni trots op het feit dat ze niet meer afhankelijk is van bedelen. In dat licht gezien, is het toch wel een heel erg mooi dak. Het kweken van plantjes blijkt een lucratieve bezigheid. Vóór aanvang van het FoSHoL-project verdiende de 55-jarige Shamsher Ali uit Debipur zo’n 1.000 taka in de maand. Veruit onvoldoende om de tien familieleden die van hem afhankelijk zijn te onderhouden. Ze hadden geen eigen huis en de maaltijden bestonden meestal uit al- leen een bord rijst. Om wat bij te verdienen, is Shamsher toen groentes gaan verbouwen. Toch bleef het een armoedig bestaan. Wie hem nu echter op de veranda van zijn eigen huis ziet zitten, kan zich die oude situatie moeilijk voorstellen. Op de keurig aangeveegde binnenplaats ligt pas geoogste rijst te drogen en er scharrelen wat jonge geitjes en pluimvee rond. “Vanochtend heb ik voor 25 taka wat visjes gekocht voor bij de maaltijd. Dat was vroeger ondenkbaar,” zegt hij. “Toen moesten we regelmatig een maaltijd overslaan. Nu zijn we sterker en gezonder en kunnen we harder werken.” Alles duidt er op dat het Shamsher goed gaat. Door zijn ervaring met het verbouwen van groentes, werd hij door zijn dorpsgroep van 26 huishoudens uitverkozen om ‘referentieboer’ te worden en binnen het FoSHoL-project de opleiding tot plantenkweker te volgen. Nu verdient hij met de verkoop van zaailingen (papaja, green amarant en green chili) en groentes uit de moestuin maar liefst 20.000 taka in de maand. En de oogst van zijn twee hectare rijstvelden is genoeg voor wat zijn familie gedurende het hele jaar nodig heeft. Maar Shamsher gaat niet alleen voor het eigen gewin, hij neemt ook zijn taak als referentieboer serieus. Al vijf boeren uit omliggende dorpen heeft hij de kunst van het opkweken van zaailingen bijgebracht en ook die doen volgens hem opperbeste zaken. We vragen Shamsher wat zijn pas verworven rijkdom hem nog meer heeft gebracht en hij vertelt een opmerkelijk verhaal... Zijn getrouwde dochter werd ziek en haar echtgenoot en schoonfamilie hadden, ondanks de bruidsschat die hij had betaald, geen zin om voor haar behandeling te dokken. Zonder pardon werd ze daarom naar het ouderlijk huis teruggestuurd en Shamsher prijst zich gelukkig dat hij in staat is om de doktersrekeningen te voldoen en haar te onderhouden.
Dhantara is met 181 huishoudens (circa 500 volwassenen en 700 kinderen) relatief groot te noemen. Relatief welvarend ook, want slechts 31 huishoudens voldeden aan de armoedecriteria voor deelname aan de FoSHoL-dorpsgroep. Het lijkt dan ook opmerkelijk dat niet het rijkere deel van de bevolking, maar juist de arme dorpsgroep in oktober 2008 het initiatief nam om in het dorp een kleuteropvang op te richten. CARE Bangladesh medewerkster Rizwana Akther legt uit: “Onze projectdeelnemers hadden er het meeste behoefte aan. De ouders zijn arm en de hele dag doende wat geld te verdienen. De oudere kinderen moeten dan op de kleintjes passen en kunnen daardoor niet naar school. Door de vorming van de dorpsgroepwerd dat individuele dilemma een gemeenschappelijk probleem en waren ze in staat een oplossing te bedenken.” De kinderopvang is gevestigd in het gemeenschapshuis en uit de twintig taka per maand ouderbijdrage per kind wordt de juf betaald. Het gaat er gezellig aan toe in de klas van juf Mossammat Mina (25). Er wordt gespeeld, gezongen en wat eenvoudige taal- en rekenles gegeven ter voorbereiding op de lagere school. Er nemen nu 22 kinderen in de leeftijd van vier tot zes jaar deel, waarvan twaalf uit gezinnen die aan het FoSHoL-project deelnemen. Voor veel ouders is de maandelijkse bijdrage echter te hoog en daarom wordt nu gekeken of de opvang betaald kan worden uit de renteinkomsten van het groepsfonds. Omdat dan ook weer meer deelnemers verwacht worden, zal er tevens een grotere accommodatie gebouwd moeten worden.
Veel deelnemers aan het groepfonds hebben van hun spaargeld of lening vee aangeschaft en binnen het FoSHoL-project een training op het gebied van dierverzorging gevolgd. Maar ook met een goede verzorging worden dieren wel eens ziek, of moeten ze preventief gevaccineerd worden. Omdat een dierenarts duur is en vaak niet nodig, heeft CARE mensen opgeleid die als diergeneeskundige eenvoudige behandelingen kunnen uitvoeren. Yusuf Eusuf is een van hen en hij verdient ongeveer 5.000 taka per maand. Hij verwacht dat inkomen binnen een jaar te kunnen verdubbelen, want de veestapel groeit. Yusufs deskundigheid wordt op prijs gesteld. Een van zijn klanten vertelt: “Vroeger verloren we veel dieren aan ziektes die te genezen waren, zoals dysenterie, voedselvergiftiging en koorts. Bij de dierenarts kost een behandeling al gauw 200 taka en hier betaal je maar 50.” De praktijk van Yusuf is gevestigd op de markt van Hossaindanga. Het is een van de markten die in het kader van FoSHoL zijn opgezet. Yusuf, naast diergeneeskundige ook voorzitter van het marktcomité, is er blij mee: “Dankzij FoSHoL wordt er veel meer geproduceerd dan vroeger en de mensen hebben niet alles zelf nodig. Dat wat ze over hebben, willen ze verkopen. Of ze willen iets kopen wat in hun eigen dorp niet wordt geproduceerd. De meest nabije markt is tien kilometer ver weg en om daar te mogen verkopen, moet je marktgeld betalen. Daarom zijn we met vijf omliggende dorpen deze lokale markt begonnen.”